10 mei 2013

Hoofdzaken

© Foto Jan Beerling
 
Deze column van mij publiceerde uitgeverij Wegener eerder in haar huis-aan-huisbladen. Kwam hem weer tegen en moest lachen.
 
Column - Ik zag een vreemd uitziend aapje. Grote ogen, mond open. Het beestje was duidelijk bang. Mannen en vrouwen in witte jassen er om heen. Maar iets was niet in orde. Het hoofd van het arme beestje zat niet op zijn eigen lichaam, hoorde ik de wetenschapper zeggen. Het was op tv en ik kwam er tijdens het zappen langs. Trots vertelde de onderzoeker dat het hem gelukt was het hoofd van een aapje los te schroeven en op een ander lichaam vast te knopen. Hij had niet alles vastgemaakt, vertelde hij nog. Want dat was voor dit onderzoek niet nodig. Daarom was het te veel werk. Zijn doel was alleen maar aan te tonen dat het mogelijk is. Straks kan het ook bij mensen en dan knoopt hij wel alles weer aan elkaar. Eerst was ik verbijsterd. Afschuwelijk vond ik het. Maar ik zag ook de mogelijkheden. Medici transplanteren al allerlei losse onderdelen en het hoofd is ook een los onderdeel. Vingers en zelfs een hand kunnen ze er tegenwoordig al weer aan zetten. Borsten worden vergroot en via spammail krijg je voortdurend aanbiedingen voor penisvergrotende middelen. Dus waarom niet meteen je complete lichaam vervangen voor iets dat je beter bevalt. Sekseveranderende operaties zijn niet meer nodig. Gewoon het hoofd meteen op een vrouwen-, dan wel mannenlichaam plakken en de rest gaat vanzelf. Ik zelf zou een lichaam uitzoeken dat nog een beetje redelijk kan lopen. Het lichaam van een sporter hoef ik niet. Dat moet je ook bijhouden en dat is erg vermoeiend. Liever een doorsnee lichaam dat niet te veel onderhoud vraagt. Dat met een beetje beweging op zijn tijd tevreden is. Zal eens beginnen met om mij heen te kijken naar een geschikte kandidaat. Want je weet maar nooit. Wanneer het zo ver is wil ik toch wel een geschikte donor achter de hand hebben.
 

28 april 2013

De recepten zijn van mij

Jorg Immendorf

Onderstaande column van mij is eerder geplaatst in de bladen van Wegener. Maar ik moest gisteravond aan hem denken toen ik werk van hem tegenkwam op internet.

Column - De beroemde Duitse schilder Jorg Immendorf kon kunst onmogelijk los zien van de maatschappelijke realiteit. Kunstenaars moeten volgens hem hun verantwoording nemen. Zich niet afzijdig houden van wat er om hen heen gebeurt. Dat deed hij zelf dan ook ten volle. In mei 2007 overleed de door de dodelijke spierziekte Amyotrofe Laterale Sclerose (ALS) getroffen kunstenaar. Immendorf staat bekend als sociaal bewogen observator en commentator. Hij nam alles wat zich in de maatschappij voordeed in zich op en beschouwde kunst als een weerspiegeling van de beschaving. Begin mei zag ik op een Duits tv-zender een reportage over Immendorf. Aanleiding was een grote overzichtstentoonstelling van hem in Berlijn. Dat was voor zijn overlijden en de grote meester was aanwezig in rolstoel. Het was al laat. Ik had eigenlijk geen zin om te kijken en schakelde uit. Een paar dagen later zapte ik verveeld langs de kanalen. Plotseling kwam ik op een Duitse zender opnieuw dezelfde reportage tegen. Hij was net begonnen en ik móest het blijkbaar zien. Een hogere macht had er gewoon voor gezorgd dat die weer voor mij klaar stond. Ik geloof in dat soort zaken. Gefascineerd keek ik de reportage tot het einde uit. Afgelopen week ontdekte ik tussen opnamen op mijn tv-recorder een oude uitzending van het VPRO programma RAM. Even kijken en weer Immendorf in Berlijn. Tussendoor beelden van de schilder in zijn atelier. Opnieuw indrukwekkend. Met krachteloze armen in zijn rolstoel en vlijmscherpe geest geeft hij aanwijzingen aan kunststudenten die hem helpen bij het schilderen. Regelmatig met zijn hoofd opzij: ‘zigarette bitte’, klinkt het allesbehalve vragend. Ondertussen vullen zijn assistenten op zijn strikte aanwijzingen de grote doeken met verf. ‘Kan ik dat ook doen als ik de techniek beheers?’ vraagt de interviewster. ‘Weet ik niet’, twijfelt de kunstenaar. Dan stellig: ‘Zij brengen slechts de verf aan maar de recepten zijn van mij’.

19 februari 2013

Bij de Pilaarheiligen

Oud burgemeester Lemstra
© Foto Irma Bruggeman

Een heilige ben ik niet. Ook niet echt een zondaar of zoiets, maar een heilige is toch iets anders. Vooral een pilaarheilige. Iemand die besluit de rest van zijn leven of een deel van zijn leven, op de top van een hoge pilaar door te brengen als boetedoening. Alle respect daar voor maar dat zie ik mezelf niet doen. Ik voldoe wel eens een boete, maar die is dan meer van stoffelijke aard. Meestal met een foto als bewijslast voor de zonde. Een paar kilometer te hard gereden. Maar toch heb ik nu iets met heiligen en een kerk te maken. Een heuse basiliek zelfs. Samen met negen andere kunstenaars doe ik mee aan het toch zeker uniek te noemen kunstproject 'Pilaarheiligen, de kracht van soberheid.' Aan tien pilaren in de Lambertusbasiliek in Hengelo, hangen nu tien kunstwerken van even zovele kunstenaars. De Lambertusbasiliek heeft aan iedere pilaar een beeld van een heilige. Vandaar de titel 'Pilaarheiligen.' Aan 'mijn' pilaar hangt Theresia van Lisieux. Het idee om in de kerk te exposeren ontstond bij kunstenaar Pier van Dijk. Hij wist pastoor Koos Smits warm te krijgen voor dit initiatief. Vrijdag 15 februari was de opening met inleidingen van onder andere Herman Haverkate, kunstredacteur van de Twentsche Courant Tubantia, voordrachten van dichteres Marijke Agterbos en orgelspel van oud-burgemeester van Hengelo, Wolter Lemstra. De huidige burgemeester Sander Schelberg verrichtte de openingshandeling waarvoor grote publieke belangstelling was.

De Lambertusbasiliek is te vinden aan de Enschedesestraat, midden in het stadscentrum van Hengelo. De expositie duurt nog t/m 22 maart.

Openingtijden: ma. t/m za: 9.30-10.30 uur, wo, za en zo: 14.00-16.00 uur.
 
Klik voor affiche
 
 

07 december 2012

Make my day

© Foto Jan Beerling
Column - Ik rij met mijn handbike naar het gemeentelijke zorgloket. Het is een mooie dag. De zon schijnt. ‘Eerst mijn voorziening ophalen’, dacht ik. Een nieuwe wet gaat de zelfstandigheid van gehandicapten vergroten. Conflictsituaties moet je nu zelf oplossen. Iedere gehandicapte krijgt in het kader van de Wet op Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) een bijpassende voorziening. Gehandicapten mogen nu een vuurwapen dragen om voor hun recht op te komen. Ik kon kiezen uit “Zorg in Natura”. Dan krijg ik een wapen uit de gemeentelijke collectie. Of voor “Persoons Gebonden Schiet Budget”. (PGSB). Dan krijg ik geld om daarmee zelf iets aan te schaffen. Ik kies voor de fraaie Heckler & Koch MP7A1 uit de gemeentelijke collectie. Een klein machinepistool, past in de rolstoel en een vuursnelheid van 950 kogels per minuut. Leek me afdoende. Het was druk bij het Zorgloket. P. rijdt net weg met haar scootmobiel. Ze zwaait met haar nieuwe galante Beretta Compact met parelmoer ingelegde kolf. Staat haar goed. F. heeft een Beretta Super Compact gekozen. ‘Spierziekte’, verklaart hij. ‘Deze kan ik tenminste hanteren’. Ik krijg mijn voorziening en teken de bruikleenovereenkomst. ‘Welk conflict eerst’,  vroeg ik me af. Mijn ziektekostenverzekeraar die mijn fysiotherapeut voor de tweede keer niet betaalde omdat dit alleen voor chronische zaken zou zijn. ‘Wat dacht u van een dwarslaesie?’ vroeg ik daarop. Ook dacht ik aan de hufter die mij in mijn handbike bijna platreed bij een wegversmalling waar ik voorrang had. Of de ondoordringbare callcentra van de hulpmiddelenmaffia van een tijdje geleden. Dat schijnt nu veranderd te zijn. Toch maar beginnen bij de urgentiecommissie voor de verdeling van aangepaste woningen? Vorig jaar hadden ze mijn lopende inschrijving zoekgemaakt. Daarna opnieuw via internet ingeschreven. ‘Niet bekend’,  hoorde ik afgelopen week telefonisch. Gesterkt door mijn nieuwe voorziening en nu met een papieren inschrijfformulier, ga ik op bezoek. Jongens ‘make my day!’

25 november 2012

Bestuurder

De Dodge Challenger uit Vanishing Point

Autofilm bij uitstek is de cultklassieker Vanishing Point van regisseur Richard Sarafian uit 1971. Held is Kowalski, gespeeld door Barry Newman, die met een Dodge Challenger supercharcher van Denver naar San Fransisco rijdt. Kowalski is gedecoreerd Viëtnamveteraan die nu de kost verdient door auto’s voor anderen te vervoeren. Hij leeft zo´n beetje op speed en wil alleen maar rijden om te vergeten. De hele film is bijna één lange autorit en staat voor het vooral Amerikaanse vrijheidsgevoel dat een auto geeft. Kowalski rijdt en de rest van de wereld jaagt hem. De politie in allerlei staten zit achter hem aan en soms wordt hij lastig gevallen door een mafkees die zich met hem en zijn auto wil meten. In Europa zou je zo´n film niet kunnen maken denk ik. Veel te vol. Veel te weinig ruimte en teveel auto´s voor de ellenlange, superspannende achtervolgingen. Toch is voor ons de auto ook symbool voor vrijheid. Voor mij in ieder geval wel. Ondanks de file´s. Ik bepaal dan zelf waar ik in de file ga staan. Voor een autorit hoef ik niet naar een station. Ik stap voor mijn deur in. En met vakanties hield ik lange trektochten door Europa. Tent en alle spullen achter in. Ik reed altijd grote stations die ook nog snel konden. En ik hield er van. Lekker lang dwalen over al die wegen. Rijden vond ik leuk en vind ik nog steeds erg leuk. Mijn rijproef heb ik in 2008 al gedaan. Met bepaalde aanpassingen mag ik autorijden. En ik heb een auto. Een tweedehandsje met aanpassingen. Een bus met lift. Kan ik met rolstoel achter binnenrijden. Daar schuif ik over op de bestuurdersstoel en weg. In een auto zie ik er niet uit als gehandicapt. Achter een autostuur zijn we allemaal gelijk. Dan zijn we allemaal bestuurder.

31 augustus 2012

The making of 'Toffe Theo'

© Foto Jan Beerling

Column - 'Gaat het wel helemaal goed met die Beerling?' vroeg de verpleging in de revalitaria waar ik op dat moment revalideerde zich af. Dat hoorde ik pas later overigens. Twee jaar lang schreef ik wekelijks columns over mijn dwarslaesie. Uitgeverij Wegener publiceerde die in huis-aan-huisbladen in Hengelo en Almelo. Wegener was indertijd één van mijn vaste opdrachtgevers. Na bekomen te zijn van mijn melding van mijn rampzalig ongeluk en dwarslaesie, was mijn redacteur journalist genoeg om mij te vragen columns over mijn ervaringen en gevoelens te schrijven. Dat viel mij eerst nogal koud op het dak. Na een bedenktijd besloot ik het te doen. Ik was met mijn vak bezig en het er over schrijven kon mij helpen bij het verwerken. En dat heeft het zeker gedaan. Ik schreef over mijn gevoelens, fantasieën, anekdotes en wat al niet meer. Ik verbleef intussen in de revalitaria, zoals ik het centrum gekscherend noemde. Die naam nam niet iedereen mij trouwens in dank af. 's Avonds en in de weekeinden hadden de lange verlaten gangen iets naargeestigs en desolaats. Intussen had ik al verschillende columns geschreven en ik vroeg mij af of ik niet iets spannends kon laten gebeuren tegen deze achtergrond. Het was hard werken daar met de hele dag door een pittig programma om te revalideren. En ellende genoeg om mij heen en met mijzelf natuurlijk. Nee, spannend moest het even worden. Een gangsterverhaal met dreiging en afrekening. Dat werd de column 'Toffe Theo,' in de stijl van een hard boiled detective, waarbij ik me een beetje heb laten inspireren door de boeken van Gouden Strop winnaar Peter de Zwaan. Het was vooral mijn laatste zin over het rondspattend bloed die de verpleging aan het twijfelen bracht. Maar gelukkig was ik me daar op dat moment in het geheel niet van bewust.



Toffe Theo
 (Gepubliceerd 27-02-2007)

Naast mij klonk een doffe klap en een diepe grom. Ik keek en zag schele Henkie met zijn hele tronie onder het bloed. Hij duizelde op zijn benen en spuugde een losse tand uit. Een van zijn krukken lag op de grond. Lepe Eddie had hem vol in zijn gezicht geraakt. Eddie wierp mij een dreigende blik toe en loerde spiedend de fysio oefenzaal rond. Niemand had zijn snelle actie opgemerkt. ‘Hé peut’, riep hij grijnzend naar een fysiotherapeut, ‘raap Henkie effe op. Hij sloeg zomaar met zijn smoel tegen de vloer’. Het liep niet lekker tussen Henkie en Eddie. Henkie had het gewaagd in het eetzaalgebied van Eddie  te gaan zitten. De jongens van Eddie deden niks onder de ogen van de restaurantmedewerkers. Maar de kiem voor bendeoorlog was gelegd. Henkie had intussen ook wat knapen om zich heen verzameld en enkele tafels veroverd. Iedereen voelde de dreiging en bleef uit de buurt. In het hele centrum was de sfeer veranderd. ’s Avonds kon je maar beter niet in de lange verlaten gangen komen. Dat was gang-land waar de mannen van Eddie en Henkie vanuit hun rolstoelen om de heerschappij vochten. De revalidatieartsen hadden geen idee van wat er zich buiten hun spreekkamers afspeelde. Ik bleef er buiten. Tot ze toffe Theo vonden. Te laat geremd voor een blinde muur, zeiden ze, maar iedereen wist beter. Lepe Eddie had hem met zijn rolstoel geplet in de achterste gang. Die avond haalde ik de Walther P38 uit mijn nachtkastje. Met het oude vertrouwde wapen diep in mijn rolstoelkussen weggedrukt dook ik in een donkere hoek van de achterste gang. Toen Eddie passeerde floot ik. Hij stopte en draaide zijn rolstoel verbaasd om. Ik richtte, kromde mijn wijsvinger en haalde de aangepaste trekker drie keer over. Eddies bloed spatte tegen de muur. Hij had toffe Theo met rust moeten laten.

16 juli 2012

Vandaag staking

Ironside (Raymond Burr)

Column - ‘Bewaar dit’, ik hoorde het amper maar plotseling ligt er een knalroze usb stick in mijn schoot. Een mooie vrouw met lang donker haar loopt haastig weg. ‘Wat is dit?’, dacht ik en ga snel achter haar aan. ‘Je hebt iets verloren!’ roep ik, ondertussen vaart makend. Ze snelt de hoek van de winkelstraat om. Ik er achteraan. Sterk remmend en op één wiel overhellend de volgende drukke straat in. ‘kijk uit je doppen’, schreeuwt een man wiens boodschappentas ik uit de handen rij. ‘Sorry!’, roep ik over mijn schouder. Ik moet verder en weten wat er aan de hand is. De vrouw speelt het op haar hakken klaar een voorsprong op mijn wielstoel te krijgen. Ik zie haar niet meer maar plotseling staat er een blinde man met forse buik voor mij. Met zijn blindenstok wijst hij en kijkt me aan. ‘Daar rende ze heen’,  zegt hij. Ik die kant uit. Uit de volgende zijstraat stormt Schimanski en dendert voor mij uit. Onbehouwen loopt hij de oude Baantjer omver die net op zijn hurken een spoor zit te bekijken. Verstoord staat hij weer op terwijl inspector Frost mopperend het stof van zijn jas slaat. Ik snap er niks meer van. Waar ben ik? Maar ik scheur door en zal weten wat ik met die usb stick moet. Even wordt ik afgeleid door Tila Tequila die voor de etalage van een modezaak staat te kijken. Verder moet ik. Ineens vóel ik dat ik wordt gevolgd. Ja hoor! Peter de Vries verstopt zich met een verborgen cameraploeg achter mijn wielstoel. Tjonge, dit moet zeker belangrijk zijn. Dan zie ik de vrouw weer. Ze duikt een taxi in. Er staat net een rolstoeltaxi klaar. Met de lift ben ik zo binnen. ‘Volg die taxi’,  roep ik. De chauffeur draait zich om. Het is Ironside. ‘Mooi niet’, bromt hij. ‘Vandaag staking’.